Column Jacques Giesen: Elkenrade
Elkenrade
Nee, het gaat niet over Eckelrade in de buurt van Sint-Geertruid, maar over Elkenrade. In mijn jeugd bereikte je Elkenrade vanaf het station in Wijlre als je de heuvel opgaat richting de molen van Vrouwenheide. Laten we zeggen dat het een groot gehucht is. Het is immers geen dorp aangezien er geen kerk is. Wat moet ik met nu met Elkenrade zult u zich afvragen?
Mijn jeugdfantasie sloeg verleden week toe in mijn hoofd toen ik langs Wijlre en Wittem toerde. De beelden die daarbij kwamen waren dat mijn broers Pierre en Jef en ikzelf samen met onze moeder Sanna de heuvel afdaalden richting Wijlre. Mijn broers en ik waren bevrijd van de knellende banden van het bezoek aan de kermis in Elkenrade bij tante Liesa.
Wat was er dan gebeurd? Wel, alle zussen van mijn moeder waren bij tante Liesa aanwezig geweest en hevig gelukkig om elkaar weer te zien. Wij moesten dan spelen met de andere kinderen van de familie. De reden dat wij erbij waren, was om moeder te begeleiden. In die tijd was voor een vrouw alleen deze lange tocht naar Wijlre namelijk te gevaarlijk. Wij verveelden ons echter stierlijk bij tante Liesa. Ondanks dat er kermis was, waren er geen leuke attracties in Elkenrade. Want zoals gezegd had Elkenrade geen kerk en dus ook geen processie en dus ook geen kermisattracties. Het hoogtepunt van die dag was voor de zussen en mijn moeder het moment waarop de vlaai- die tante Liesa had gebakken in het op hout gestookte bakkes in haar tuin- naar binnen werd gewerkt. De flinke korst was echter tot overmaat van ramp zwartgeblakerd. Te lang in het bakkes gebleven?
De andere familieleden aten de vlaai met smaak, maar hoe moesten wij, lieve broers, die nare zwartgeblakerde harde korst door onze keel krijgen? Het lukte mij een stuk verse pruimenvlaai met die vreselijke korst door mijn proestende keel te duwen en ik vroeg mij af of het ook mijn broers ook was gelukt, want ik kon niet zien hoe zij 'het gevecht' aan het leveren waren.
Aan het eind van het bezoek werd met dikke, vette kussen en dito knuffels afscheid genomen van al die tantes en verdwenen we dus de heuvel omlaag richting naar Wijlre. Moeder krachtig voorop en wij wat slungelend er achteraan. Blij dat het voorbij was. Ik haastte mij om mijn broers stilletjes te vragen hoe zij die vlaaienkorsten hadden verteerd. Met jolige blik in hun ogen haalden Jef ze uit zijn broekzakken en Pierre frommelde ze uit de uiteinden van zijn pofbroek. Elk wel acht verbrande korsten. Achter de rug van mijn moeder gooiden ze die met geheimzinnig gegrinnik in de korenvelden langs de weg. Bevrijd trippelden we aan haar zijde verder, meesmuilend lachend met mijn domheid.
Voor de jonge lezers: een pofbroek kreeg je destijds in de latere jeugd. Het was een lange broek tot aan de enkels waar de stof met een elastiek werd samengetrokken, over de wat hogere kousen heen.
Ik heb het mijn broers nooit vergeven dat ze mij die bewuste middag in onwetendheid hadden laten lijden. Naarmate ze ouder werden hoefden mijn broers niet meer mee en moest ik alleen met mijn moeder naar al die tantes die door heel het Heuvelland woonden. Iedere keer weer een lange wandeling met moeder en vervolgens die zelfgebakken kermisvlaai met een te dikke en verkoolde korst. Tot overmaat van ramp was de pofbroek inmiddels uit de mode. Kermissen bij mijn tantes werden zodoende beladen fragmenten uit mijn jeugd.
Zeker twintig jaar later, de begeleiding van mijn moeder was inmiddels voorbij, at ik weer voor het eerst, ja voor het eerst, een stuk pruimenvlaai met een dunne brandvrije korst van bakker Mullenders. Warm uit de oven en smeltend in de mond.
Een jeugdtrauma was opgeruimd. Heerlijk.
Jacques Giesen



